|
Huurovereenkomst winkelcentrum en verbod op mededingingsafspraken |
|
Op 6 februari 1998 heeft de President van de rechtbank te Breda bepaald dat een afspraak tussen een huurder en een verhuurder van een winkelcentrum waarbij de verhuurder wordt verboden (nieuwe) huurders te accepteren met gelijke of gelijk soortige diensten of goederen krachtens artikel 6 van de Mededingingswet moet worden aangemerkt als een nietige (concurrentiebeperkende) branchebeschermingsovereen komst. Door middel van een branchebeschermingsovereenkomst wordt de vestiging van ondernemers die dezelfde of gelijksoortige activiteiten ontplooien aan banden gelegd. Op voet van artikel 6 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Mededingingswet is een branche beschermingsovereenkomst (behoudens individuele ontheffingen) nietig. Vrijstellingen Het Besluit Vrijstelling Branchebeschermingsovereenkomsten van 25 november 1997 kent een aantal uitzonderingsbepalingen op grond waarvan een dergelijke overeenkomst wel is toegestaan. Vrijstelling geldt met name voor nieuwe winkels in nieuwe winkelcentra, waardoor een gevarieerd winkelaanbod tot stand zal komen. Vrijstelling geldt voor een periode van maximaal zes jaar nadat de huur is aangevangen van de eerste onderneming die zich in het winkelcentrum vestigt. Overtreding Mededingingswet Overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet kan worden bestraft met een bestuurlijke boete, terwijl eveneens een last kan worden opgelegd om aan de overtreding een eind te maken. Naast deze bestuursrechtelijke gevolgen is er het civielrechtelijke gevolg dat de overeenkomst van rechtswege nietig is en partijen daaraan dan ook niet zijn gebonden. Op grond van de Mededingingswet zijn veel branchebeschermingsovereenkomsten en/of branchebeschermingsbepalingen niet (langer) rechtsgeldig. Zo heeft de President van de rechtbank te Breda recentelijk de Stichting Pensioenfonds TDV te Deventer, beheerder van een winkelcentrum te Breda, in het ongelijk gesteld toen het pensioenfonds de President verzocht de in het winkelcentrum gevestigde herenkapper te gebieden het knippen van dames te staken, omdat het knippen van dames de herenkapper in de huurovereenkomst was verboden. De herenkapper, die zich verweerde door te stellen dat de betreffende branchebescherming een van rechtswege nietige branchebeschermingsovereenkomst is als bedoeld in artikel 6 van de Mededingingswet, werd door de President in het gelijk gesteld. De President overwoog dat de overeenkomst tussen de beheerder en de herenkapper een concurrentiebeperkend doel heeft en bij gevolg was aan te merken als een niet-rechtsgeldige branchebeschermingsovereenkomst. |